Berglopen

Ijzererts

IJzererts wordt reeds sinds de ijzertijd, omstreeks 700 v. Chr., ontgonnen voor het vervaardigen van metalen voorwerpen. Het is een van de meest voorkomende metaalertsen en wordt aangetroffen in zogenaamde banded iron formations die bestaan uit  laagjes ijzeroxiden afwisselend met vuursteen of schalieachtige lagen.

Na winning moet het ijzer nog verschillende bewerkingen ondergaan voordat het bruikbaar is als ijzer of staal. Vandaag de dag is het nog steeds het meest verhandelde bulkgoed ter wereld.

Van erts naar ijzer

Wanneer de erts uit de mijn komt, moet het nog verschillende bewerkingen ondergaan voor het bruikbaar is als staal. Het scheiden van de ijzer en erts gebeurt door verhitting tot een zeer hoge temperatuur, tot boven het smeltpunt van ijzer, in een gesloten oven, na toevoeging van een reductor om het metaal uit zijn oxide te winnen. Meestal wordt koolstof als reductor gebruikt. De ovens die voor dit proces worden gebruikt, heten hoogovens. In het verleden werden voor dit proces ook laagovens gebruikt, waarin een lagere temperatuur heerst.

Ontginning van ijzererts:

Al in de Romeinse Tijd werd er in Oost-Nederland nabij Deventer ‘ijzeroer’ ontgonnen. Deze soort ijzererts werd dicht onder het maaiveld werd gedolven. Tijdens de middeleeuwen werd er op de Veluwe dan weer zogenaamde ‘klappersteen” gedolven in handgegraven diepe sleuven met een totale lengte van 82km. Ook in België wordt er reeds eeuwenlang via dagbouw ijzererts gedolven.

Vanaf de 18e eeuw neemt de vraag en productie van ijzererts toe doorheen heel Europa. In landen zoals Duitsland, Luxemburg en Frankrijk ontstaan zeer uitgestrekte ondergrondse ijzerertsmijnen.

Metallurgie in Charleroi

Rond het jaar 1000 vonden er al metallurgische activiteiten plaats in het huidige Charleroi. De smederijen werden aangedreven door waterkracht uit de Samber en de laagovens werden gestookt met houtskool.

Na de introductie van de puddeloven in 1820, ontstaat rond 1828 een nieuwe staalfabriek te Marcinelles die gebruik maakt van de eerste hoogoven op cokes. In 1835 worden de staalfabriek, cokesfabriek en steenkoolmijnen uit de buurt verenigd in de nieuwe “Société Anonyme des Hauts-Fourneaux, Usines et Charbonnages de Marcinelle et Couillet“. Het bedrijf had een fabriek te Couillet waar men stoomlocomotieven produceerde.

In 1906 werden de Steenkoolmijnen afgesplitst van de metallurgie die verder gingen onder de namen Société Metallurgique de Couille, later Société Métallurgique de Hainaut. Na de fusie met de staalfabrieken van Sambre et Moselle, kwam een nieuwe fusie met Cockeril uit Luik. Cockeril-Sambre-Meuse fusioneert later dan weer tot de Groep Arcelor Mittal.

Metallurgie in Luik

In 1842 werd er door John Cockerill te Seraing (Luik) een staalfabriek opgestart die enkele jaren later zou uitgroeien tot de grootste staalfabriek ter wereld¨. De hoogoven van het bedrijf was een van de eerste hoogovens die op cokes gestookt werd en daarmee handig gebruik maakte van de reeds aanwezige steenkoolindustrie in Luik. Zo beschikte het bedrijf over haar eigen steenkoolmijnen in Luik en een cokesfabriek. Daarnaast exploiteerde het bedrijf ook enkele ondergrondse ijzerertsmijnen in Wallonië en zelfs in Luxemburg.